Hemelvaartsmarkt

Hemelvaartsdag, rommelmarkt bij ASC Nieuwland. Het is al jaren een daverend succes en het leek ieder jaar drukker te worden. Het zou warm worden. Met de kinderen een markt bezoeken is meestal niet zo'n succes. Ik zag het al voor me, na een half uur hingen ze jengelend aan mijn  been:  „Mama mag ik een ijsje? Ik heb dorst, hoe lang duurt het nog? Nee hé, niet nog een rij, wanneer gaan we naar huis?" Ik sla een jaar over, dacht ik. Tot mijn grote verbazing begon mijn oudste: „We gaan toch wel naar de markt op mijn club hé?" Met grote ogen keek ik hem aan: „Huh?" Natuurlijk wilde hij erheen, al zijn vrienden waren daar. Bovendien wilde hij een nieuwe spinner. Hij legde zijn laatste centjes op tafel. „Vijf euro, dat moet lukken." En dus gingen we, tot mijn grote plezier, alsnog naar de markt. Mijn man vond het prima, die is altijd wel op zoek naar iets. Wat een rij bij de ingang, ongelofelijk. Maar hé, dit was wel de grootste Hemelvaartsmarkt van de regio.  En dat gewoon bij ons om de hoek. In plaats van stinkende voetbalschoenen rook je nu rommel, alhoewel rommel. Het was prima spul. Dat zag mijn man ook. Hij vroeg bij een kraam: „Dat shirt dat je aanhebt, hoeveel kost die?" „Wat?" ik keek hem aan. „ Ehh, geintje toch? Nee, serieus?"

„Gaaf Utrecht shirt, voor hoeveel mag ik hem meenemen", ging hij verder. De jongens trokken aan mijn arm, de ene draaide zijn hoofd om, de ander lachte stiekem. Plaatsvervangende schaamte, ik dacht dat die fase pas rond de pubertijd kwam. Terwijl ik door de kinderen een stuk verder was getrokken zag ik dat de man het shirt uitdeed, aan mijn man gaf en zelf een Ajax shirt aandeed. Verkocht. Weer een voetbalshirt erbij, fijn.

De kinderen zagen wat vriendjes en gingen op pad om iets leuks te scoren. Het was dus heerlijk relaxed rondneuzen en hier en daar even kletsen. Na ruim een uur kreeg ik het warm en had ik dorst. De kinderen waren opeens nergens meer te bekennen. Mijn man was ook nog volledig in zijn sas. Met een ijsbelofte kreeg ik de kinderen gelukkig mee. Mijn man wilde nog even blijven. Vreemd. Achteraf snapte ik waarom. Hij kwam thuis met een tasje vol. „Nee toch, nog meer rommel? Meen je dat nou… kersthuisjes", zei ik gevolgd door een droog lachje. Mijn zoon verstopte zuchtend zijn gezicht in een kussen. „Je kan er maar beter op tijd bij zijn, dan zijn ze goedkoper", verdedigde hij zichzelf.  Het woord goedkoper had het goed moeten maken. Wat zal ik zeggen, weer een kersthuisje erbij, fijn.

Volgend jaar ga ik er zelf staan. Als mijn man even niet kijkt, zet ik stiekem wat kersthuisjes neer, ik denk dat ze in de aanbieding zijn, komen jullie ook?

Bianca Snel.