Fietsritje

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Dat werd me weer eens goed duidelijk toen ik onlangs getuige was van een ongeval, waarbij een auto op de rotonde voor mijn huis een fietser schepte. Een aantal keren per week fiets ik zelf naar mijn werk. Door Nieuwland, Kattenbroek en Schothorst ga ik richting de stad. Op hetzelfde tijdstip zijn ook veel jongeren op pad.

Genieten van de omgeving wordt nu lastig. Ik heb zelf haast, het is druk en je moet constant op je hoede zijn. Drie meiden fietsen en praten naast elkaar, een brommer schiet langs. Automobilisten, die hun ogen ook in de bumper moeten hebben, proberen een plekje te veroveren tussen de hordes fietsers. Oortjes in, kijkend op hun mobiel, ze horen mijn bel niet als ik in wil halen. Een fietser valt, hij was ook aan het slingeren. Ik hoor hem zeggen: „Mijn mobiel, waar is mijn mobiel?" Die is kennelijk belangrijker dan alles. Er wordt geen hand uitgestoken. Sommige fietsers zijn onzichtbaar door het ontbreken van licht. Een jongen voor me spuugt opzij, waarschijnlijk zat dit overtollige speeksel echt zwaar in de weg. Gelukkig kon ik de spetters nog net ontwijken. En bedankt.

Een jong meisje laat haar hond uit. Met tegenzin volbrengt ze haar taak. Ze schreeuwt; „Nee, nee", ze trekt steeds harder waarna de hond vreemde hijgende geluiden maakt. Ik heb met hem te doen, maar zwijg.

In Schothorst zie ik iemand een poging doen om fietsend iets in de prullenbak te gooien. De poging mislukt, hij fietst door. Niemand zegt iets, ik ook niet, ik heb haast, slecht excuus.

Op de terugweg, een elektrische bezorgfiets haalt mij gehaast in, tjee, die hoorde ik dus niet. In Schothorst staan er twee jongetjes voor mij. Ze rijden al weg voordat het stoplicht op groen gaat. Ik schreeuw: „Jongens kijk uit, kom terug!" Ze komen zwijgend terug. Net op tijd, er kwam nog een auto aan. Een man die inmiddels achter mij is komen staan, kijkt mij aan met een blik van, 'let op je kinderen!' Ik negeer de blik en rij verder.

Blijkbaar denkt iedereen tegenwoordig in het verkeer alleen nog maar aan zichzelf……

Ik had er ook voor kunnen kiezen om de fietsers terecht te wijzen. Of om eerder op te staan en de mooiere route via de Molenweg te nemen. Langs de schaapjes die tussen het dauw op de weilanden staan.

Kapot kom ik thuis aan. De kat staat voor de deur te miauwen om eten. Mijn mans zoon zit op de bank, televisie aan, zijn schoenen en jas liggen op de grond naast hem. Het aanrecht staat vol met vaat. „Hoi! Wat eten we?"

Zucht, opvoedtaken zijn er thuis ook.

Bianca Snel.