• Uittredend voorzitter van Wijkmuseum Soesterkwartier op Amersfoortse Eysink fiets, die ook te bezichtigen is.

    Arjan Klaver

'Klein Detroit' in Wijkmuseum Soesterkwartier

AMERSFOORT Vlak voor en pal na de Tweede Wereldoorlog werden in ons land een paar automerken geassembleerd. Zo zag Ford in Amsterdam mogelijkheden en DKW in Sassenheim. En het Britse Morris veranderde de stad in 'Amersfoort, klein Detroit'. Wijkmuseum Soesterkwartier startte zaterdag 4 juni met een tentoonstelling over de auto-industrie in de stad.

Arjan Klaver

Assembleren is een truc die ook de auto-industrie vaak heeft toegepast. Deze productiemethode werkt besparend op de hoge invoerrechten van rijklare personenauto's. Het vervoer van losse onderdelen is goedkoper dan het transport van complete auto's. Maar, er waren voor autofabrikanten meer argumenten om auto's over de grenzen te assembleren. Zoals het Britse automerk Morris in Oxford. Engeland was rond de jaren '50 niet toegetreden tot de EEG, zoals de Europese Unie voor 1992 heette. De fikse exportheffing op producten die naar het Europese vasteland verscheept moesten worden, zou de groeiende vraag naar dit Britse merk temperen. Assembleren dus. Uiteindelijk vonden de Britten in de firma J.J. Molenaar in Amersfoort een goede partner. Hij wilde de klant niet teleurstellen met dure Britse auto's. Johannes Jacobus Molenaar was als sinds 1933 importeur van MG en Morris. De assemblage was bij hem in goede handen.

ONHAALBARE KAART In 1949 werd de boel opgestart, maar de bouw van een immense hal leek in Amersfoort een onhaalbare kaart. De gemeente schakelde in de laagste versnelling om een bouwvergunning af te geven. Molenaar liet zich niet vermurwen en huurde in 1949 een fabrieksruimte aan het Utrechtse Merwedekanaal. In deze hal werden de Morris Oxford en de Morris Minor gemaakt door 300 productiemedewerkers. Jaarlijks reden zo'n 4000 auto's van Utrecht via Zeist en Soesterberg naar het moederbedrijf in Amersfoort. Het waren tegelijk testkilometers. Een beperkt deel bleef op vliegbasis Soesterberg achter om van hieruit getransporteerd te worden naar Amerika. Molenaar had zijn zaakjes voor elkaar. Zeker toen hij alsnog toestemming kreeg om op de nog lege vlakte van Isselt een productiehal neer te zetten. De onderdelen uit Engeland werden per schip aangevoerd en aan de achterzijde van de fabriek gelost. Aan de voorzijde werden de auto's via de zogenoemde stamlijn afgevoerd: een spoorverbinding tussen Isselt en het reguliere spoor. In 1953 werd de eerste Amersfoortse Morris Minor op kenteken gezet.

MINI Tot 1966 werden er 15000 Morris Minor en 2500 Morris Oxford geassembleerd. Daarnaast nog een aantal MG's van het type A en Magnette en Austin A40 Farina. Vanaf 1959 werden ook 4358 Mini's in Austin 7 en Morris Mini in een Minor uitvoering geassembleerd. In 1961 mocht Molenaar een gespecialiseerde montagehal bouwen voor de assemblage van Morris trucks en bestelwagens. In 1966 stopte de assemblage omdat de aanstaande toetreding van Engeland tot de EEG het niet langer rendabel maakte. De laatste in Nederland gebouwde Morris rolde in 1968 van de band. Het pand op Isselt bestaat nog en is voor een deel in gebruik door Kringloopcentrum. De hal in Utrecht wordt gesloopt.

Veel leden van de Morris Minor Club namen onlangs gepast afscheid van de hal waar hun auto het levenslicht voor het eerst heeft gezien. Onder de speciaal terug geplaatste poort van 'Molenaars Nederlandse Autofabrieken' reden de antieke auto's in parade de hal uit, zoals zij dat vroeger deden op weg naar het moederbedrijf. In die tijd schreef de burgemeester Molendijk over de stad: 'Amersfoort, klein Detroit. In groten getale verlaten de auto's de fabrieken'.